B E S T E L    D E    B O E K E N    V A N    K R I S    E N    A B O N N E E R    J E    O P    H E T    T I J D S C H R I F T    V A N    H U B E R T :    W E I R D O'S

Kris' gedachten van juni

2017: Menselijk schoon


Foto Zestig onderwerpen heb ik al aangesneden op mijn blog. Ik zou het dit keer graag hebben over een onbehandeld onderwerp. Een moeilijke opdracht leek het eerst, want alles is al ooit besproken. Alleen dringen al die verschillende ideeën niet tot mijn leefwereld door; hetzelfde geldt natuurlijk omgekeerd. Onverwacht bracht mijn vriendin het goede item aan: schoonheid. Hoe mooi is een menselijk lichaam in vergelijking met onze welbehaarde vriendjes uit het dierenrijk?
Waarom zijn de borsten van een vrouw volumineuzer dan die van een man? En waarom kijken zwarte mannen liever naar de dikke konten van hun vrouwelijke rasgenoten? Ik waag me niet die vragen te beantwoorden omdat ik te veel boeken gelezen heb van antropologen die allemaal een andere uitleg daarover geven. Het gaat mij om de algemene schoonheid van een mens.
Vrouwen zijn niet mooier dan mannen. Ze hebben wel iets meer van de Heer meegekregen: borsten, die dan eens wellust bij me opwekken, een andere keer doen ze me van hun pure schoonheid smelten. Haar lichaam is proper én schoon. Ik vind mezelf ook heel leuk in mijn adamskostuum, maar ik laat commentaar over het lelijke ding dat mannen meer hebben liever achterwege. Natuurlijk zijn er details die de Bruegels onder ons zouden wegmoffelen met een penseelstreekje roze verf. Toch durf ik te zeggen dat ieder mens de schoonheid van zijn lichaam weerspiegelt ziet in de mens die hem bekijkt.
Ik zie schoonheid in de lichaamskracht van mensen, ook in landschappen, gebouwen, muziekstukken en kunstvoorwerpen. Het is mooi als het net goed is. Er mag niets meer bij of eraf, want anders wordt het lelijk. Aan de ene kant voel ik me Plato die achter elk voorwerp een onderwerp ziet, een gedachte, een idee. Aan de andere kant ben ik Aristoteles: ik kopieer ideeën naar voorwerpen, ik imiteer, ik maak kunstwerken en beleef daar plezier aan.
Als ik iets moois observeer doe ik aan filosofie. Immanuel Kant beschreef in de achttiende eeuw hoe schoonheid voortkomt uit een interactie tussen het object met al zijn kenmerken en diegene die het bekijkt. Kunstobjecten hebben geen andere functie dan de mens laten nadenken. Ik kan het ook anders bedenken: sommige kunstwerken bekoren me en anderen niet, toch zijn er dingen die iedereen mooi vindt, iets waar ik dus mijn verstand niet bij nodig heb, omdat het een gevoel is.
Mijn vriendin begrijpt niet dat ik haar ongewassen en ongeschminkt nog schoon vindt. Dat is omdat ik verder kijk dan haar lachrimpeltjes. Ik kijk door haar oogjes in het binnenste van haar ziel en zie meer van haar: ik zie haar kern, dat wat haar die unieke mens maakt. Ik ga ervanuit dat zij ook iets meer van mij ziet als ik haar aankijk. Wij vinden elkaar niet alleen fysiek aantrekkelijk, wij vullen elkaar ook innerlijk aan.
Als koppel doen wij het goed, wij zijn een schoon paar. De stijgende lelijkheid van de wereld baart mij echter zorgen. Ik betrap me er soms op dat ik mensen te snel in vakjes stop. Mensen doen dat ook met mij. Ik heb me daarom voorgenomen nooit nog iemand mooi of lelijk te vinden na één blik. Ook al is mijn eerste reactie er een van afkeer, ik kom de persoon tegemoet, spreek hem aan, deel mijn mening. Ik ontmoet. En voor iedereen die geen Nederlands verstaat: Come out of your cave and behave.

2016: Zeg maar tata naar je data


Foto In hoeverre ben ik wie ik zeg dat ik ben? Door wat ik lees en schrijf, maak en doe? Ik ben vooral zichtbaar voor mijn omgeving door het licht dat op me valt en me omringt, maar mijn digitale profiel bepaalt ook mijn stem in deze wereld. Of iemand die nu opvangt of niet, ik bepaal mee de gang van zaken op aarde. Net zoals mijn vader zaliger vraag ik me af waar het allemaal naartoe gaat. Ook mijn 81-jarige moeder kan niet meer zo goed volgen. Zij denkt dat de wereld haar vijandig gezind is met al die terroristerij, en van dat onveilige gevoel kunnen we haar moeilijk afhelpen. We moeten in elk geval beducht zijn voor instanties die ons dataverkeer in de gaten houden, maar hopelijk kan de politie zo de heel stoute mensen eruit pikken.
Bedrijven werven dataminers aan, dat zijn mensen die verbanden zoeken in statistisch materiaal met als doel de verkoop te verbeteren. Programmeurs integreren die optimalisaties in apps voor het sociale media-platform waardoor mensen alleen zaken of prestaties aangeprezen krijgen die zij zoeken. Voorspellen hoe de smartphones ons in de toekomst in de greep zullen krijgen is onbegonnen werk. Maar voor mij is het al heel lang duidelijk dat mijn data niet meer veilig zijn.
Sinds ik computers gebruik, ben ik voortdurend bezig met mijn gegevens te kopiëren. Eerst was dat op floppy’s van 5 inch met een opslagcapaciteit van 720 kilobytes. Voor mijn werk gebruikte ik 8 inch floppy’s, maar die bleken vooral onbetrouwbaar te zijn. Daarna kwam de opmars van de harde 3,5 inch diskette waarmee je 1,4 megabytes kon bewaren. Allerlei types verwijderbare harde schijven passeerden de revue, maar het waren uiteindelijk de CD en de dvd die de grote verbetering brachten. Eind 2000 kwam de USB-stick op de markt. Met zijn kleine formaat veroverde hij de harten van de computergebruikers en sindsdien is het kopiëren van bestanden en folders niet meer zo tijdrovend.
Mijn data omvatten ongeveer 113 Gigabytes. Ik heb echter besloten enkel muziek van Tangerine Dream in het hiernamaals te beluisteren, waardoor ik alles op een stick van 64 Gigabytes krijg. Per testament zal ik dus naar gene zijde reizen met in mijn binnenzak een groene USB-staaf. Behalve muziekbestanden zal ik er toegang hebben tot mijn dagboeken, ook de boeken die ik eigenhandig geschreven heb, en een deel van de boeken die ik gelezen heb. Verder zal ik kunnen genieten van een diashow samengesteld uit de 36.000 foto’s die ik ooit gekiekt heb. Ik zal me lekker in mijn dood vel voelen middenin de puzzels die ik samen met mijn vriendin gelegd heb, mijn toch wel eigenzinnige schilderijen van vreemde vogels, al mijn websitemateriaal, geheime bankgegevens, levens- en andere verzekeringen, huurcontracten, allerlei handleidingen, garanties, e-mailberichten, e-cards, reisdata, belastingaangiftes en terugbetalingen, facturen en offertes. De hele santenkraam gaat mee.
Bij elke instantie waar ik me ooit via een e-mailadres online kenbaar gemaakt heb, zal ik na mijn dood nog een tijdje voortleven, zoals mijn pa wiens kortingkaart van Colruyt vijf jaar na zijn overlijden nog steeds geldig is. Wie het huurgeld voor de websiteserver verder zal betalen weet ik niet, maar ik hoop dat diegene die van me erft jaarlijks het luttele bedrag van 29 euro zal besteden om mijn site in de lucht te houden. Ik denk dan aan mijn broer die me minstens een jaar zal overleven omdat hij een jaar jonger is dan ik. Zo zal na mijn verscheiden mijn digitale voetafdruk op het www achterblijven. Mocht je een kopie van de groene stick op de kop kunnen tikken, verlustig je dan in de bitjes van mijn data, de sublimatie van mijn spirituele vondsten in de vorm van eentjes en nulletjes, kortom, mijn schat aan informatie.

2015: Loon na werken


Foto Pa en ma hebben hard gewerkt opdat ik zou kunnen studeren om later een goede betrekking te verwerven. Door mijn inzet zijn zij in hun opzet geslaagd. Tijdens de vier jaren dat ik de opleiding van industrieel ingenieur aan de hogeschool in Hasselt volgde, heb ik de volledige steun van mijn ouders gekregen. Zij hebben mij geboetseerd tot de man die ik ben. Zij zullen wellicht gehoopt hebben dat ik ook hun werklust zou erven of overnemen, maar die lijkt niet aan die van hen te kunnen tippen. Nu hadden mijn ouders fysieke beroepen, metselaar en verkoopster bij de slager, terwijl ik aan een bureau zit en mentaal bezig ben. Ik kan me moeilijk voorstellen dat ik in weer en wind op de bouwwerf vertoef en me voortdurend moet bukken om bakstenen op te nemen, of zoals ma dagelijks aan de gekoelde vleeswarentoog charcuterie snijden. Op het einde van de dag waren zij moe. Ik niet. Ik zit voor een computerscherm en denk na. Mijn breinstormen wegen niet op tegen het harde labeur van mijn ouders. Ze zijn beiden ongeveer op hun vijfenvijftigste van vadertje staat op vervroegd pensioen mogen gaan, maar hun staatsloontje was niet om naar huis te schrijven.
Het afstuderen bleek nog het gemakkelijkste van alles te zijn, want het duurde langer dan verwacht om werk te vinden. Negen maanden lang solliciteerde ik voor banen die me toch niet lagen. In 1983 kreeg ik via de RVA de kans bij Philips Brussel een opleiding van negen maanden te volgen en nam die gretig aan. Ik leerde er praktisch omgaan met computers, zo goed dat een bank me samen met de apparatuur kocht om hun kantorennet te automatiseren. Zestien jaar programmeerde ik dat het een lieve lust was, tot ik ineens begreep dat ik er te oud voor geworden was, want de jongeren waren veel sneller weg met het object georiënteerd programmeren dan ik. Gelukkig had iemand mijn kundigheid met de bankapplicatie, die ik zelf had geschreven, opgemerkt en ik kon onmiddellijk aan de slag bij de helpdesk. En wat blijkt? Zestien jaar later lijkt ook dat pad dood te lopen.
Bijna aan het einde van je leven maak je normaal een testament. Ik maak een rekensommetje. Van april 1983 tot mei 2015, dat zijn 33 jaren dienst. Dat was een heus karwei. Amai. Pffff. Hiermee wil ik niet zeggen dat ik niet meer graag werk. Ik wil enkel duidelijk maken dat de helpdeskjaren in mijn kleren zijn gekropen. En net wanneer ik een dipje heb, komt mijn werkgever op de proppen met een vrijwillig vertrekplan.
Sinds mijn vijftigste werk ik halftijds en dat bevalt me prima. Ik stel me al langere tijd voor hoe ik voltijds mijn eigen potje klaarmaak en ervoor zorg dat mijn vriendin na haar werk ’s avonds iets te eten heeft. En dat kan nu ineens via het weg-met-de-oude-mannenplan. Met het uitgekeerde geld kom ik vier jaar verder en dan heb ik in mijn zestigste jaar op aard 37 dienstjaren gesprokkeld. Maar wat zal ik nadien gaan doen tot aan mijn pensioen? Ik zal dan nog 3 jaar moeten overbruggen. Maar hoe? Wat moet ik doen?
Een collega even oud als ik, die niet getrouwd is, geen kinderen heeft en een dikke spaarpot durft kapot te slaan, heeft zich ingeschreven. Die drie kwaliteiten klinken bekend in de oren, want ik zit in dezelfde situatie. Mijn collega durft het te doen. En ik? Mijn vriendin laat me vrij in die dingen. Ze helpt me wel de dingen in hun juiste context te plaatsen. Dus ik doe het niet. Ik lig er niet wakker van, maar toch. En ik laat er ook mijn appetijt niet voor overgaan. Misschien moet ik eens niet met mate maar naar believen drinken tot de voorraad strekt. Hieperdepiep en hikkerdepik.

2014: Hebben en Zijn gezocht


Foto (2 tekeningen van Steven De Rie die zoek zijn geraakt)

Dat we lezen en schrijven maakt van ons intelligente mensen. Maar er zijn er die niet kunnen lezen. Of kunnen schrijven. Veel anderen kunnen moeilijk lezen. Moeilijk schrijven ook. Ik kon niet foutloos schrijven tot mijn vijfendertigste. Maar ik heb mezelf leren schrijven door veel te lezen. Een raad die ik kan geven aan diegenen die zich geviseerd voelen is dus: lees. Wees kritisch bij wat je leest. Niet alleen de inhoud is belangrijk, ook de taal.
Ik hoor mensen praten en soms krijg ik het Spaans benauwd omdat ze nonchalant met woorden omspringen, of doodeenvoudig niet uit hun woorden komen. Dat wil niet zeggen dat ik zonder fouten praat, of een redenaar ben. Nochtans spreek ik vloeiend een dialect. Alleen in familiekring, want daarbuiten opteer ik voor het Algemeen Nederlands waarvan ik de regels zoveel mogelijk tracht te respecteren. Met lezen is mijn vocabulaire gegroeid. Foutloos schrijven lukt me nu beter dan mijn landgenoten die het niet nodig vinden de Nederlandse taal onder de knie te krijgen. Er is echter nog een groot verschil tussen zonder fouten schrijven en boeken schrijven. Nu en dan lukt het me stijlfiguren en beeldspraak in mijn bloemrijke tekst te plakken, maar ik vind liever nieuwe woorden uit waarmee de van Dale geen raad weet.
Ik ben geen prater. Ik kan wel iets zinnigs zeggen over dingen die ik weet. Veel mensen hebben niets te vertellen omdat ze niet veel weten. Of ze krijgen het niet op papier gezet. Ik kan dat wel. Ik ben nu twee jaar bezig met maandelijks mijn mening te uiten over dit of dat. Elke maand wordt het moeilijker om een goed onderwerp te vinden. Er moet een raakvlak zijn tussen mij en mijn omgeving. Dat hebben weinig onderwerpen omdat ik geen sociale man ben. Er zijn nochtans gespreksonderwerpen zat, of genoeg schrijfoefeningen die ik kan doen. Zijn mijn gedachten erover interessant genoeg om anderen ertoe aan te zetten de wereld te bekijken zoals ik hem zie? Nee. Dat hoeft ook niet, want iedereen is anders en heeft andere levenservaringen. Gelijkgezinden zal ik gemakkelijk in mijn gedachtegang meekrijgen, maar hoe bereik ik de andersdenkenden? Via mijn site?
De teller op mijn homepage kan het aantal bezoekers heel goed bijhouden. Sommigen worden afgeleid naar mijn foto’s, tekeningen en schilderijen. Anderen zijn meer geïnteresseerd in mijn motorverleden of mijn verzameling stripverhalen en puzzels. Nog anderen lezen mijn gedichten en vangen daarmee al een beetje op hoe ik denk en wat ik van het leven verwacht. De mensen die daadwerkelijk op de titels van mijn boeken klikken, kan ik op twee handen tellen. Niet veel dus. Het lijkt erop dat ik schrijf voor mezelf.
Zo schrijf ik boeken vol. Welgeteld zestien. En aan het zeventiende leg ik de laatste hand. Daarin schrijf ik verwoed over mijn levensloop en de vrouwen die mijn pad hebben gekruist door even geïnteresseerd naar mij op te kijken. Sommigen hebben de boodschap in mijn ogen gelezen. Minder oplettende dames herkenden er niet mijn adoratie voor de vrouw in het algemeen in. De alerte breinen onder hen begrepen me wel maar lieten zich liever door stoere mannen veroveren. Eén vrouw meende dat ze van mij een potige man kon maken. Zij geeft nu toe dat het een levenslange opdracht voor haar zal zijn.
Mijn motto is: eenmaal een watje, altijd een watje. Hoewel ik mezelf niet als een slappeling zie. Ik ben liever geen klootzak, maar soms noemen mensen me zo omdat ze zich onbegrepen voelen. Net zoals iedereen ken ik dat machteloze gevoel. Ik begrijp dat ik niemand kan veranderen. Dat we individueel niet kunnen veranderen. Maar we kunnen misschien wel onze koppen bij elkaar steken en de wereld veranderen. Door jezelf te beschrijven en anderen te lezen.

2013: De oude man en zijn hond


Foto Als mei vol aprilse grillen zit, zal juni ons heel zeker enkele mooie meidagen voorschotelen. Wat feestdagen betreft, heeft de maand niet veel te bieden, alleen Vaderdag zal menigeen naar de winkel doen rennen om een cadeautje te kopen. Toen pa nog rookte, kocht ik hem altijd een doosje sigaren. Dat was gemakkelijk, helaas heb ik zo zijn longziekte in de hand gewerkt. De laatste vijfentwintig jaar van zijn leven heeft hij geen sigaar meer aangeraakt. Ik gaf hem snoepgoed, maar op die manier hielp ik mee aan zijn zwaarlijvigheid. Het is verdomme moeilijk om goed te doen. Pa wandelde en fietste nochtans veel. Samen met ma heeft hij zo in zijn oude dag heel wat kilometers afgelegd. Ook met zijn hond Peggy.
Als puppy was ze bedoeld om aan iemand in de straat cadeau te geven, maar na een dag zeuren aan ma's oren mochten we haar houden. Op schooldagen kwam ze mijn broer en mij ’s morgens wakker maken. De hond dook het liefst van al onder de dekens en kwam na een tiental minuten uit zichzelf hevig puffend weer naar boven. Na school liet ik haar uit op het landweggetje dat doodloopt en gooide met stenen die ze al dan niet terugbracht. Als het op eten aankwam aanzag ze ma als haar enige echte baasje. Het was kostelijk om te zien hoe ze al likkend het bord over de keukenvloer voort schoof. We hadden het zo weer in de kast kunnen zetten. Toen ik aan de hogeschool van Hasselt studeerde en nadien daar ging wonen, kon ik alleen nog in het weekeinde met Peggy bezig zijn. Gelukkig ging pa dagelijks met haar wandelen in het Goorterbos. Dan was hij haar baasje. Als we naar de Belgische kust of Bourscheid in het Groothertogdom Luxemburg reisden, mocht ze mee, want ze zat graag in de auto. Gingen we verder, dan bleef ze logeren bij een kennis in de straat. Hoe ze bij onze thuiskomst jankte en met haar staart zwiepte, is me bijgebleven. Kwispel noemde ik haar ook.
Het liefst van alles speelde ze met een tennisbal die ik via de muur naar alle kanten liet terugkaatsen. Het dier was een gewillig fotomodel, maar ze gaf niet al te graag een pootje. Tijdens mijn wandelingen wachtte ze aan elke kruising om te kijken welke richting ik zou kiezen. Om haar conditie op peil te houden reed ik nu en dan met de motor naar het Goorterbos of over het doodlopende landweggetje. Ze kon snel rennen en probeerde de motor bij te houden. Ik slaagde er zelfs in haar op de tank te laten zitten terwijl we reden, hoewel ze geregeld de indruk gaf over het stuur weg te willen springen. Als we even niet opletten, trok Peggy alleen eropuit en was de straat haar jachtterrein. Die keer dat ik haar betrapte op seksuele intimiteiten met een reu uit de straat, zal ik niet gauw vergeten. Nadien kwam ik te weten dat ik beter een emmer water over de honden had uitgegoten om ze te scheiden. Als dochter van een jachthond had Peggy een jachtinstinct dat in haar genen vastgebakken zat. Toen ze naar huis kwam met een hoentje van de buren in haar muil, keek ze me beteuterd aan.
Een teek is Peggy fataal geworden. Te laat merkten we dat de teek zich al een weg tot onder haar huid had gewerkt en het kwaad was geschied. Op de koop toe verkankerde de teekwonde. Een operatie bracht geen verbetering. Zonde, want ze had met haar capriolen ons leven nog een paar jaar langer kunnen opfleuren. Het inslapen verliep sereen. De veearts liet ons toe het dier mee naar huis te nemen om het in de tuin te begraven. Een onweer naderde en ik moest me haasten de kuil dicht te gooien. Toen het begon te regenen weende ik stille tranen, misschien wel de eerste keer als volwassene. Wenen, dat doet een man niet. In eerste instantie kon ik ook niet om de dood van pa wenen. Mijn broer belde me dat hij gestorven was en dat ik moest terugkomen. ’s Namiddags had ik pa nog in het ziekenhuis bezocht. Toen kreeg hij moeilijk adem en hij wilde dat we zijn kamer verlieten. Zijn blik herinner ik me veel te goed toen ik de deur langzaam dichttrok. In zijn blik lag een beetje schrik, niet om te sterven maar omdat hij wellicht begreep dat ik hem voor de laatste keer levend zou zien. En in de auto, rond middernacht, aan het laatste kruispunt naar het ziekenhuis kwamen dan toch de tranen, heviger dan ik had gedacht. Aan zijn sterfbed werd het me opnieuw te veel toen ik voelde hoe koud zijn hand was. Zo kil voelen zelfs de handen van mijn vriendin niet aan als ze het door en door koud heeft.
In juni herdenk ik niet alleen pa die in de hemel is, ik sta ook stil bij de dood van Peggy. Zij rende op 30 juni 1990 de eeuwige jachtvelden binnen, waar leibanden en hondenpoep niet bestaan. Voor mijn geestesoog zie ik pa met Peggy door het Goorterbos wandelen. Ik denk dat pa nog meer van de hond hield dan ik. Missen doe ik ze allebei.

°


Terug naar boven

Gezicht van juni 2017

Foto

Schoon of lelijk?

Gedicht van juni 2017

Krach Boem Bang


Ik snoep
van haar schoonheid,
muziek in de oren,
haar glimlach
buigt
onder verdrinkende ogen.

Ik omhels
haar broze wereld
met lege armen,
haar wezen
is voldoende
om te blijven ademen.

Gezicht van juni 2016

Foto

Treurspelheld wordt spring-in-'t-veld.

Gedicht van juni 2016

Mijn laatste wil


Ik wens jou,
enthousiaste lezer,
bij elk nieuw blad
een tranerige lach.

Ik beloof jou,
beste gegevensdrager,
dat je bij elke stap
een byte verplaatsen mag.

Ik vraag jou,
fervent taalliefhebber,
maak met woorden komaf,
want de zin geeft de doorslag.

Gezicht van juni 2015

Foto

Met een smile als deze
zal mijn beschermengel wel ooit van de grond komen.

Gedicht van juni 2015

Manitoe


Ma doet de regendans
door salto’s te draaien
en zal daarna zonder pa
pirouetterend het gras afmaaien.

Ze maakt van een kleine hap
gegarandeerd een feestmaal
en verbindt voor haar gasten
aarde en hemel met een zonnestraal.

Het leven is een heel gedoe,
van de regen in de drop
zit je zo weer in de zon
en dank je de god in je kop.

Gezicht van juni 2014

Foto

Fotomodel Peggy (1976-1990).

Gedicht van juni 2014

Mensdom


Ik wil mensen linken,
desnoods om zichzelf te vinden.

Ik wil dat mensen uitzwermen,
al is het om elkaar te beschermen.

De buurman leert mij naïef te blijven
door de boom voor zijn deur water te geven.

Gezicht van juni 2013

Foto

Het leven is om te lachen (pa 1930-2011).

Gedicht van juni 2013

Doggybag


Met 10 dacht je niet na en riskeerde je je vel.
Met 20 zat je op de top van een luchtbel.
Met 30 deed je je werk om het even.
Met 40 waande je je halverwege.

Met 50 was je liever tuinier
en wandelde je met je hond Komhier.
Je dacht onthutst met 60:
was ik nog maar in de 20.

Met 70 verkende je andere landen,
want de 80 lag in het verschiet.
Je waande je even op hete stranden,
maar de 90 haalde je niet.

Tussen je geboorte en dood
lag een stevige brug,
een van welzijn en nood.
Zo is het leven achter de rug.

eygen

Site map         Contact               Geschriften             Gedachten

facebook facebook


© EYGEN-BOEKEN.be    On-line sinds 25/05/2012      Alle rechten voorbehouden
Versie 8.0          Page update 13/07/2017 13:00


B O E K E N    V A N    K R I S    V A N    E Y G E N    U I T G E G E V E N    D O O R    L E C T U R I U M    (FreeMusketeers)